naar U gaat mijn hart uit

Soms zijn het de eerste woorden die het ‘m doen.
Ik lees ze, ik hoor ze. En er gebeurt iets met mijn ziel.

Zo mooi, de intredezang van afgelopen zondag.
Ik houd van de Latijnse gezangen en ik kan niet eens precies zeggen waarom. Is het de vertraging? De eenvoud van eenstemmigheid? De wetenschap dat het eeuwen geleden al zo klonk en dat ontelbare mensen vóór mij deze klanken en woorden hebben gehoord, gezongen, gebeden?

Ik denk: dat allemaal. En nog iets anders. De tegenstelling tussen de afstand die het Latijn oproept en de intimiteit van de teksten. Want er staat nogal wat, doorgaans.

Deze zondag waren het de eerste woorden die gezongen werden. Het oude Gregoriaans waarin zo’n persoonlijke roep klinkt, uit Psalm 26:

Tibi dixit cor meum, quaesivi vultum tuum;
vultum tuum, Domine, requiram:
ne averta faciem tuam a me.

Naar U gaat mijn hart uit, U wil ik zien;
uw gelaat, Heer, wil ik aanschouwen;
verberg mij uw aanschijn niet.

– Of, iets letterlijker vertaald: –

Naar U gaat mijn hart uit, ik heb gezocht naar Uw gezicht;
uw gezicht, Heer, zal ik nodig hebben;
wend uw aanschijn niet af van mij.

Het evangelie van deze tweede zondag van de veertigdagentijd gaat over het aangezicht van God in de persoon van Jezus. De leerlingen Petrus, Johannes en Jacobus zien Jezus’ gezicht veranderen en zijn hele persoon, zelfs zijn kleren, verblindend wit worden.

Mijn aantekeningen van de preek van pastoor Tjeerd Visser:

Het eerste antwoord dat je krijgt op de vraag “Hoe gaat het met je?” is meestal: “Druk!”. Het lijkt bij deze tijd te horen, zelfs zo dat als je zou antwoorden “niet druk, ruimte zat in m’n agenda” de mensen zich zouden afvragen of het wel goed met je gaat. Het is een symptoom van deze tijd dat we het druk hebben met van alles en nog wat. En tegelijkertijd kom je mensen tegen die zeggen dat ze bijna omkomen van verveling. Bijvoorbeeld een zieke priester die zegt: “De nutteloosheid vliegt me naar de keel.”

Of je het heel druk hebt of om welke reden dan ook niets te doen hebt, de gewone dagelijkse tijd lijkt een noodzakelijk kwaad te zijn. Het is een tijd waarin we leven naar een volgend hoogtepunt. We lijken te leven van het ene gelukzalige moment naar het andere. Dat blijkt bijvoorbeeld wanneer we zeggen: “Nog drie weken, dan heb ik vakantie” of “Overmorgen is het weer weekend”. Het zijn momenten waarop de eentonigheid – van drukte of verveling – wordt doorbroken. Dat is heel goed: we hebben deze tijden nodig, van vakantie, weekend, rust, feest. Er moet enig reliëf zijn waardoor ons bestaan diepte krijgt. Maar als we niet oppassen, wordt de tijd tussen de hoogtepunten een noodzakelijk kwaad.

Het is met ons geloof vaak niet anders. Bij verwachtingen die we hebben van de kerk of van God gaat het ook om dit soort momenten: wij willen het liefst zoveel mogelijk spektakel en sensatie. Als dat er niet meer is, dreigen we onze relatie met God en de kerk te verliezen. Maar het is soms droge en dorre tijd, niets feest, niets hoogtepunt. En dan maar gewoon doorgaan.

Vandaag horen we over zo’n hoogtepunt: Petrus, Johannes en Jacobus die samen met de Heer de berg Tabor opgaan. De Heer doet dat vaker, een berg beklimmen om daar op de top zijn Vader te ontmoeten. De leerlingen maken in die ontmoeting een hoogtepunt mee en het schijnt zo mooi te zijn dat Petrus er wil blijven. Alsof hij zegt: dit moment moeten we vastleggen, hier zou ik wel voor altijd willen blijven. Terecht ervaart hij dat de hemel de aarde raakt.

In Lourdes kunnen mensen het ook zeggen, aangeraakt als zij zijn: “Kon ik hier maar blijven, ik wil niet meer naar huis.” En toch is dat wat Jezus doet, weer teruggaan. Na de verheerlijking op de berg gaat Hij het dal weer in, de gewone tijd weer in. En vandaag horen we, in het gesprek dat Jezus heeft met Mozes en Elia, dat Hij niet bepaald een gemakkelijke tijd tegemoet gaat. Aanvankelijk zal het zo lijken, als Hij bij zijn intocht in Jeruzalem wordt toegejuicht en iedereen “Hosanna!” roept. Maar Hij wordt aan het kruis genageld en Hij zal sterven – én verrijzen.

De leerlingen krijgen er vandaag een voorproefje van. Zij zien hoe Jezus eruit zal zien na zijn verrijzenis. Maar eerst komt het dal, het lijden, waar Jezus met zijn leerlingen naar afdaalt. Hij gaat met hen mee en laat zien: zelfs daar ben Ik bij je. Denk niet dat God op de berg blijft, de Heer gaat met ons mee. Het is niet voor niets dat Jezus de leerlingen begeleidt: God gaat met ons mee het dal in. Zoals God veertig jaar met het Joodse volk meetrok door de woestijn naar het beloofde land.

Wij hoeven de tijd van drukte of verveling of lijden niet alleen door te maken. Jezus zegt hier als het ware: “Tot het einde van de wereld zal Ik je hand vasthouden.” En natuurlijk zullen er momenten zijn waarop we weer hoogtepunten zullen tegenkomen – waarna we onze weg weer moeten vervolgen met het kruis op onze schouders, het dal in.

Kun je ervoor zorgen dat die gewone tijd – de tijd in het dal – ook tijd voor God is? Dat je God niet hier in de kerk achterlaat, maar dat je Hem meeneemt – of beter, dat je weet dat Hij meegaat en van je gewone tijd heilige tijd wil maken? God is er, altijd en overal, of je aan het werk bent of aan de studie of met de opvoeding van je kinderen bezig bent of met je vrijwilligerswerk.

Wij moeten God er altijd bij betrekken, bij die tijd in het dal. Hoe? Laat de liefde het laatste woord hebben. Dan wordt gewone tijd bijzondere tijd van God. En dan zul je merken dat er niet veel verschil meer is tussen de hoogtepunten in je bestaan en je gewone tijd. Omdat je doet wat gevraagd wordt. Kom dadelijk, als je de kerk verlaat, van de berg af en ga terug naar beneden; daal af met God naar je gewone tijd. En weet dat je gezonden bent om te vertellen van Gods nabijheid voor jou en voor velen.

 

Oefening
Heb jij een moment gehad waarop je (om het zo maar te zeggen) Gods gezicht hebt gezien? Of waarop je ervaren hebt dat Hij zijn gezicht naar je toe wendde? En dat jij – in de oude woorden gezegd – “in het licht van zijn aanschijn” stond? Of misschien verlang je daar juist naar, dat kan natuurlijk ook.
Hoe is dat gezicht van God, het licht van God, in jouw gewone tijd aanwezig? Hoe maak jij van gewone tijd bijzondere tijd voor God?
Mijmer of bid eens over deze vragen.
Schrijf er iets over op en geef de kern weer in een elfje.

 

2019-03-19T00:21:24+02:0018 maart 2019|